Uitgelicht:
Advertentie:

Column

Spliertjes 
Vroeger, in een tijdperk ver voor Nintendo’s en smartphones, vermaakten mijn zus en ik ons in gevallen van verveling met het kijken door de spliertjes van onze ogen: we knepen onze ogen net niet helemaal dicht en tuurden door onze wimpers. Geconcentreerd bestudeerden we wat we om ons heen zagen en vertelden dat aan elkaar op onze geheel eigen wijze. Het woord spliertjes hadden we natuurlijk zelf gemaakt van spleetjes en kiertjes, maar dat realiseerden we ons pas toen onze vriendinnetjes het niet bleken te kennen.

"Voor deze column tuur ik net als vroeger weer door de spliertjes van mijn ogen en vertel over alles wat ik zie."


Herwaardering van restjes

9-7-2013


In deze tijd staan restjes vaak synoniem aan datgene wat na gebruik weggegooid wordt. In de tijd van mijn grootouders waren restjes juist datgene wat bewáárd werd. De laatste tijd verschijnen er in vele dag en weekbladen artikelen die mensen bewust willen maken van wat er met name op het gebied van voeding weggegooid wordt. Vaak nog ongebruikt, het is over de datum: weg ermee! Onze grootouders waren nog ware kunstenaars met restjes en kliekjes, op een creatieve manier maakten ze er weer wat anders van. Je ziet daar nu weer een opleving van. Zo heb ik sinds een paar jaar het Kliekjeskookboek van Puck Kerkhoven ( ook te leen in onze Makkumer bieb), boordevol lekkere recepten en nuttige en nuchtere informatie over het bewaren van voedsel.

Ik heb wat met restjes. Behalve dat je dus heel lekker kunt eten van restjes,heb ik mijn hele leven al enorm veel plezier gehad van restjes. Wanneer ik vroeger bij mijn opa en oma mocht logeren en daar ging  knutselen  was steevast de lijm op. Na die traditionele constatering gingen we met de lift naar het hokje van opa onderin het flatgebouw want bij zijn werkbank  had hij altijd nog wel een restje behangplaksel. Met dit restje gingen we weer naar boven. Wat ik allemaal geknutseld heb weet ik allang niet meer, maar het plezier van het halen en zelf maken van die lijm herinner ik me nog als de dag van gisteren.

Mijn oma heeft in onze familie generaties barbies aangekleed. Wij hadden geen barbiekleren uit de winkel, maar een uitgebreide garderobe voor onze poppen variërend van broeken tot bruidsjurken en dat werd allemaal gemaakt van: … restjes. 

Bij mijn grootouders aan de kraan hing een pantykousje. In dit pantykousje werden alle stukjes zeep gedaan die te klein waren geworden om gewoon je handen mee te wassen. Maar doordat ze in dat kousje zaten kon je er wel weer je handen mee wassen en het was superleuk om er schuim van te maken. Bij mijn ander oma leerde ik breien. Om dat te leren gebruikten we restjes.

Was het bij mijn grootouders een armoedige boel? Nee totaal niet. Dat ze zoveel met restjes konden gaf juist een heel rijk gevoel. Van bijna niets konden ze nog iets maken. Het geeft een enorm voldaan gevoel om te kijken naar wat je nog hebt en daar mee aan de slag te gaan. Een ander gevoel dan naar de winkel gaan en het ophalen. Herwaardeer je restjes! En daarmee instelling om uit te gaan van wat je hebt, in plaats van uit te gaan van wat je mist.

Toeval?

5-7-2013


Het is een passage uit een radio-interview die me bijblijft. Wanneer een modeontwerpster gevraagd wordt naar de betekenis van de collectie die ze gemaakt heeft voor mensen met een lichamelijke handicap of beperking geeft ze een prachtige verklaring. Over de uitdaging van het maken van een sieraad voor op een litteken enzovoort enzovoort… Om daar aan het eind achteloos aan toe te voegen: ” Dit soort verklaringen bedenk ik trouwens altijd achteraf hoor. Ik ga aan het werk en wat het wordt dat merk je vanzelf. Het valt je toe.”

Het valt je toe. Het klinkt simpel. Misschien juist omdat het zo simpel klinkt en achteloos gezegd werd blijft het dagenlang door mijn hoofd spoken. In een interview dat ik ooit las heb ik ook Paul McCartney iets dergelijks horen beweren. Hij vertelde over het schrijven van liedjes dat hij meer dan eens het gevoel had dat het liedje er eigenlijk al was maar dat hij het alleen hoefde uit te werken. 

Ook bij het schrijven kan het je overkomen. Soms hoor je iemand een prachtige zin zeggen. Er gebeurt iets onverwachts tijdens een bezoekje of een interview en juist dat onverwachte, iemand komt te laat of er valt je iets op aan de straat waar je door loopt op weg naar een interview, is heel vaak bruikbaar in een stuk dat je schrijft. Is het toeval of valt dat je toe?

Wie zal het zeggen? Eigenlijk maakt het ook niet uit want in beide gevallen geeft het een heerlijk gevoel om iets doodnormaals of zelfs iets wat lastig is om te kunnen buigen naar een mooie zin of alinea in je verhaal.
Dat doet me weer denken aan hoe ik een leraar het zangtalent van een nog jonge leerlinge hoorde omschrijven.”Je kunt alles rechtuit zingen, maar zij zingt er net wat omheen.”

Bij het schrijven en schrappen in een stuk voelt dat ook vaak zo. Je kunt alles recht toe recht aan opschrijven, maar het mooiste is als je net even om de woorden heen kunt . Het ook van de andere kant kunt bekijken en laten zien.
Waar zou u het ontstaan van een column naar aanleiding van een radio-interview onder scharen? Toeval of valt dat je toe?